Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Uitleg EEX-Vo (Verordening Brussel I). Vervolg van HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:164, NJ 2014/73 en HvJEU 10 september 2015, C-47/14, ECLI:EU:C:2015:574. Vordering tegen in Duitsland woonachtige partij op grond van onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder dan wel werknemer van in Nederland gevestigde vennootschap; art. 2:9 BW, art. 7:661 lid 1 (oud) BW en art. 6:162 BW. Bevoegdheid Nederlandse rechter. De art. 18-21 EEX-Vo verzetten zich tegen toepassing van art. 5, aanhef en onder 1, respectievelijk onder 3 EEX-Vo, indien de vordering mede gebaseerd is op arbeidsovereenkomst. Hoge Raad doet zelf de zaak af.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



3 februari 2017

Eerste Kamer

13/01256

EV/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1],gevestigd te [vestigingsplaats].

2. FERHO BEWEHRUNGSSTAHL GMBH,gevestigd te Essen, Duitsland,

3. FERHO VECHTA GMBH,gevestigd te Vechta, Duitsland,

4. FERHO FRANKFURT GMBH,gevestigd te Frankfurt, Duitsland,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. P.A. Fruytier

t e g e n

[verweerder],wonende te [woonplaats], Duitsland,

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. D. Rijpma en mr. R.L. Bakels.

Eiseressen tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] c.s., eiseres tot cassatie onder 1 als [eiseres 1], en verweerder als [verweerder].

1 Het verloop van het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

a. zijn tussenarrest in deze zaak van 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:164, NJ 2014/73 (hierna: het tussenarrest);

b. het arrest in de zaak C-47/14 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 10 september 2015, ECLI:EU:C:2015:574 (hierna: het prejudiciële arrest).

Beide arresten zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het verdere verloop van het geding in cassatie

Naar aanleiding van het prejudiciële arrest hebben [eiseres] c.s. hun standpunt nader toegelicht.

[verweerder] heeft alsnog het verstek gezuiverd en zijn standpunt nader toegelicht.

De nadere conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3 Verdere beoordeling van het middel

3.1

In rov. 3.7 van het tussenarrest is overwogen dat de onderhavige zaak, voor zover in cassatie van belang, als volgt kan worden gekenschetst.

[eiseres 1] heeft [verweerder], die woonplaats in Duitsland heeft, gedagvaard voor de rechtbank Almelo en een verklaring voor recht alsmede betaling van schadevergoeding gevorderd. Volgens [eiseres 1] heeft [verweerder] ernstige fouten gemaakt bij de uitoefening van zijn functie bij haar, een in Markelo (gemeente Hof van Twente) gevestigde vennootschap.

In dit geval moet ervan worden uitgegaan dat [verweerder] niet alleen op grond van een tussen hem en [eiseres 1] gesloten arbeidsovereenkomst als directeur bij deze vennootschap in dienst was, maar dat hij ook als bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van [eiseres 1] was aangesteld.

[eiseres 1] stelt zich primair op het standpunt dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder van [eiseres 1] en uit dien hoofde op grond van art. 2:9 BW jegens haar aansprakelijk is. Voorts heeft [eiseres 1] zich beroepen op opzet dan wel bewuste roekeloosheid van [verweerder] bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met haar, een en ander als bedoeld in art. 7:661 (oud) BW. Subsidiair voert [eiseres 1] aan dat de ernstige fouten die [verweerder] heeft gemaakt bij de uitoefening van zijn functie bij [eiseres 1], meebrengen dat sprake is van onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens haar in de zin van art. 6:162 BW.

[verweerder] heeft zich beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank Almelo ingevolge Verordening (EG) nr. 44/2001 (hierna: EEX-Vo).

3.2.1

De rechtbank heeft geoordeeld dat haar noch op grond van art. 5, aanhef en onder 1, EEX-Vo, noch op grond van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, bevoegdheid toekomt, en heeft zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen van [eiseres] c.s. kennis te nemen (tussenarrest, rov. 3.3.1).

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof overwogen, kort samengevat en voor zover voor de verdere beoordeling van het middel van belang, dat de rechtsverhouding tussen [eiseres 1] en [verweerder] moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 18 lid 1 EEX-Vo, en dat op grond van art. 20 lid 1 EEX-Vo een vordering van de werkgever slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft. Nu [verweerder] woonplaats in Duitsland heeft, komt aan de Nederlandse rechter ten aanzien van de door [eiseres 1] ingestelde vorderingen geen bevoegdheid toe. Voor zover [eiseres 1] haar vorderingen baseert op onbehoorlijk bestuur, zonder daaraan een overeenkomst ten grondslag te leggen, dan wel op onrechtmatige daad, komt aan de Nederlandse rechter evenmin bevoegdheid toe. (tussenarrest, rov. 3.3.2)

3.3.1

De rechts- en motiveringsklachten van de onderdelen 2 en 3 bestrijden de uitleg en toepassing van de hier relevante bevoegdheidsbepalingen van de EEX-Vo, te weten art. 5, aanhef en onder 1 (a), art. 5, aanhef en onder 3, art. 18 lid 1 en art. 20 lid 1 EEX-Vo, mede in hun onderlinge samenhang.

3.3.2

Naar aanleiding van deze klachten heeft de Hoge Raad, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, op de voet van art. 267 VWEU de volgende prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld:

“1. Moeten de bepalingen van afdeling 5 van hoofd-stuk II (art. 18-21) van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de rechter toepassing geeft aan art. 5, aanhef en onder 1 (a), dan wel aan art. 5, aanhef en onder 3, van deze Verordening in een geval als het onderhavige, waarin de verweerder niet alleen in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap door die vennootschap wordt aangesproken op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen, maar ook afgezien van deze hoedanigheid door die vennootschap wordt aangesproken op grond van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en die vennootschap is gesloten?

2 (a). Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt, moet dan het begrip ‘verbintenis uit overeenkomst’ van art. 5, aanhef en onder 1 (a), van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een geval als het onderhavige, waarin een vennootschap een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap aanspreekt op grond van schending van de op hem rustende verplichting tot behoorlijke vervulling van zijn vennootschapsrechtelijke taak?

2 (b). Indien het antwoord op vraag 2 (a) bevestigend luidt, moet dan het begrip ‘plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is of moet worden uitgevoerd’ van art. 5, aanhef en onder 1 (a), van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het ziet op de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in art. 60 lid 1, aanhef en onder b en c, van die Verordening?

3 (a). Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt, moet dan het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ van art. 5, aanhef en onder 3, van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een geval als het onderhavige, waarin een vennootschap een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap aanspreekt op grond van onbehoorlijke vervulling van zijn vennootschapsrechtelijke taak dan wel onrechtmatig handelen?

3 (b). Indien het antwoord op vraag 3 (a) bevestigend luidt, moet dan het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen’ van art. 5, aanhef en onder 3, van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het ziet op de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in art. 60 lid 1, aanhef en onder b en c, van die Verordening?”

3.3.3

Het HvJEU heeft deze vragen in het prejudiciële arrest als volgt beantwoord:

“1) De bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 5 (artikelen 18-21), van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moeten aldus worden uitgelegd dat zij in een situatie zoals in het hoofdgeding, waarin een vennootschap een persoon die de functies van directeur en van bestuurder van die vennootschap heeft bekleed in rechte aanspreekt om de door die persoon in de uitoefening van die functies gemaakte fouten te doen vaststellen en schadevergoeding te verkrijgen, eraan in de weg staan dat artikel 5, punten 1 en 3, van die verordening wordt toegepast, mits die persoon – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit te verifiëren – in zijn hoedanigheid van directeur en van bestuurder gedurende bepaalde tijd voor en onder het gezag van die vennootschap prestaties heeft verricht tegen beloning.

2) Artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44 /2001 moet aldus worden uitgelegd dat de vordering die een vennootschap tegen haar voormalige bestuurder indient op grond dat deze niet zou hebben voldaan aan de vennootschapsrechtelijke verplichtingen die op hem rusten, onder het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ valt. Bij gebreke van enige afwijkende precisering in de statuten van de vennootschap of in enig ander document is het aan de verwijzende rechterlijke instantie om te bepalen op welke plaats de bestuurder zijn werkzaamheden ter uitvoering van de overeenkomst overwegend heeft uitgevoerd, mits de verrichting van de diensten op de betrokken plaats niet indruist tegen de wil van partijen zoals die blijkt uit hetgeen zij zijn overeengekomen.

3) In omstandigheden zoals in het hoofdgeding, waarin een vennootschap haar voormalige bestuurder in rechte aanspreekt wegens beweerd onrechtmatig handelen, moet artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44 /2001 aldus worden uitgelegd dat de vordering onder de materie verbintenissen uit onrechtmatige daad valt wanneer – het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit te verifiëren – het verweten handelen niet kan worden beschouwd als niet-nakoming van de vennootschapsrechtelijke verplichtingen van de bestuurder. Het is aan de verwijzende rechterlijke instantie, aan de hand van de feitelijke omstandigheden van de zaak het aanknopingspunt te bepalen dat het nauwst verband houdt met de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat en met de plaats waar de schade is ingetreden.”

3.4

Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt dat de art. 18-21 EEX-Vo eraan in de weg staan dat toepassing wordt gegeven aan de bevoegdheidsgronden van art. 5, aanhef en onder 1, respectievelijk art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, indien een vennootschap – in dit geval [eiseres 1] – een persoon die de functies van directeur en van bestuurder van die vennootschap heeft bekleed – in dit geval [verweerder] – in rechte aanspreekt om de door die persoon in de uitoefening van die functies gemaakte fouten te doen vaststellen en schadevergoeding te verkrijgen, indien die persoon – in dit geval [verweerder] – in zijn hoedanigheid van directeur en van bestuurder gedurende bepaalde tijd voor en onder het gezag van die vennootschap – in dit geval [eiseres 1] – prestaties heeft verricht tegen beloning, hetgeen de nationale rechter dient te verifiëren.

3.5

Het geding behoeft niet te worden verwezen teneinde te doen vaststellen of in het onderhavige geval is voldaan aan het vereiste dat [verweerder] in zijn hoedanigheid van directeur en van bestuurder gedurende bepaalde tijd voor en onder het gezag van [eiseres 1] prestaties heeft verricht tegen beloning. De stukken van het geding laten immers geen andere conclusie toe dan dat is voldaan aan bedoeld vereiste en dat tussen [verweerder] en [eiseres 1] sprake was van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de art. 18-21 EEX-Vo. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

[eiseres] c.s. hebben gesteld dat [verweerder] op 25 april 2011 bij [eiseres 1] in dienst is getreden als directeur (vgl. inleidende dagvaarding, § 1), en de relevante arbeidsovereenkomst in het geding gebracht. Blijkens die arbeidsovereenkomst is [verweerder] gehouden zijn “ganze Arbeitskraft ausschlieβlich” aan [eiseres 1] ter beschikking te stellen, onverminderd het recht van [verweerder] om gelijktijdig als bestuurder van zustervennootschappen van [eiseres 1] op te treden, en is het [verweerder], behoudens toestemming van de algemene vergadering van aandeelhouders van [eiseres 1], niet toegestaan andere betaalde nevenwerkzaamheden te aanvaarden. Voorts bevat de arbeidsovereenkomst bepalingen over het salaris, het tantième en het aantal vakantiedagen. Ook bepaalt de arbeidsovereenkomst dat deze is aangegaan voor een periode van vijf jaar, en steeds voor een periode van twee jaar stilzwijgend wordt verlengd, behoudens opzegging met inachtneming van een termijn van twaalf maanden. Ten slotte dient in cassatie weliswaar tot uitgangspunt (vgl. cassatiemiddel onder A, § 7) dat [verweerder] een “15%-aandelenbelang in [eiseres 1]” bezat, maar in de arbeidsovereenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat [verweerder] zich dient te richten naar de schriftelijke aanwijzingen van de algemene vergadering van aandeelhouders van [eiseres 1].

[verweerder] heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat hij als bestuurder een arbeidsovereenkomst met [eiseres 1] is aangegaan, en heeft daartoe verwezen naar de door [eiseres] c.s. in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst (vgl. incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring tevens conclusie van antwoord, § 1; memorie van antwoord, § 30).

Het hof heeft in rov. 4.5 overwogen dat [eiseres 1] “geen feiten [heeft] gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de rechtsverhouding die tussen hen beiden heeft bestaan niet als arbeidsovereenkomst in de zin van art. 18 lid 1 EEX-Vo moet worden gekwalificeerd”.

[eiseres] c.s. hebben in cassatie niet alleen geen klachten gericht tegen de hiervoor aangehaalde overweging van het hof, maar ook tot uitgangspunt genomen (vgl. cassatiemiddel onder A, § 1) dat [verweerder] op 25 april 2001 “bij [eiseres 1] in dienst [is] getreden als directeur” en dat hij van 20 juli 2001 tot 31 december 2006 “tevens bestuurder [was] van [eiseres 1], alsmede bestuurder van [eiseres 1]’s drie Duitse zustervennootschappen”.

3.6

Het vorenstaande betekent dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de rechtbank Almelo (thans de rechtbank Overijssel) niet bevoegd is om kennis te nemen van de door [eiseres 1] tegen [verweerder] ingestelde vordering. In het licht van het antwoord op de eerste prejudiciële vraag en hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen, kan in het onderhavige geval immers geen toepassing worden gegeven aan de bevoegdheidsgronden van art. 5, aanhef en onder 1, respectievelijk art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo. Voorts brengt art. 20 lid 1 EEX-Vo mee dat de vordering van [eiseres 1] tegen [verweerder] slechts kan worden gebracht voor de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan [verweerder] woonplaats heeft, te weten Duitsland.

Op het vorenstaande stuiten de klachten van de onderdelen 2 en 3 af.

3.7

De onderdelen 1.1 en 1.2 van het middel zijn reeds ongegrond bevonden in rov. 3.5.2 van het tussenarrest.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, daaronder begrepen de kosten verband houdende met de behandeling van de zaak bij het HvJEU, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.028,34 aan verschotten en € 4.400,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, M.V. Polak en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 3 februari 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature