Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

In de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld welke gevolgen het beëindigen van de cateringovereenkomst met de oude werkgever en het vervolgens gunnen van genoemde overeenkomst aan de nieuwe werkgever heeft voor een tweetal arbeidsongeschikte werkneemsters.

De kantonrechter oordeelt dat op basis van de door partijen ingenomen standpunten in het kader van dit kort geding niet is vast te stellen of sprake is van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW, zodat op grond van de CAO dient te worden bezien wat de gevolgen zijn voor de betrokken werknemers.

Bij de uitleg van de uitzondering zoals omschreven in artikel 10 lid 2 van de CAO dient naar het oordeel van de kantonrechter aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie betreffende de overgang van onderneming.

Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter zou het niet mee overgaan van een arbeidsongeschikte werknemer op de voet van de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest Memedovic/Asito de door de EG-Richtlijn 2001/23 beoogde bescherming ook te zeer inperken, ook wanneer op het tijdstip van de overgang aannemelijk zou zijn dat de arbeidsongeschikte werknemer niet meer op een wijze als voorheen werkzaam zal kunnen zijn bij het overgaande ondernemingsonderdeel. De overwegingen van de Hoge Raad in genoemd arrest dienen in dat opzicht naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter restrictief te worden uitgelegd.

Voorgaande betekent dat thans de vraag moet worden beantwoord of van de betrokken werkneemsters voorshands reeds vast staat dat zij nooit meer terug zullen keren op de locatie. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en dat brengt met zich mee dat de arbeidsovereenkomsten van deze werkneemsters zijn overgegaan naar de nieuwe werkgever.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civiel recht

kantonrechter

zitting houdend te Almere

Zaak- en rolnummer: 3762383 MV EXPL 15-6

Datum vonnis: 19 februari 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidCOMPASS GROUP NEDERLAND B.V.,gevestigd te Amsterdam,eiseres,gemachtigde mr. C.E. Stratenus,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidPDX CATERING B.V.,gevestigd te Hilversum,gedaagde,gemachtigde mr. C.A. Fokker,2. [gedaagde 2],wonende te [woonplaats 1],gedaagde,verschenen in persoon,3. H.H.M. [gedaagde 3],wonende te [woonplaats 2],gedaagde,gemachtigde mr. J.C.C.M. Brand.

Partijen zullen hierna Compass Group, PDX, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties

de brief van PDX d.d. 3 februari 2015 met producties

de brief van PDX d.d. 3 februari 2015 met productie

de mondelinge behandeling

de pleitnota van Compass Group

de pleitaantekeningen van PDX.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2015 te Lelystad.

Compass Group is verschenen bij mevrouw [A] (personeelsmanager), bijgestaan door haar gemachtigde mr. Stratenus. PDX is verschenen bij mevrouw [X] en de heer [K], bijgestaan door hun gemachtigde mr. Fokker. [gedaagde 3] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Brand en [gedaagde 2] is in persoon verschenen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij de beoordeling van het geschil zal worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten:

a. Compass Group heeft tot 1 januari 2015 de bedrijfscateringactiviteiten in het kantoorgebouw [naam] te Arnhem verzorgd. In genoemd gebouw zit een groot bedrijfsrestaurant en enkele coffeecorners, welke door Compass Group werden geëxploiteerd. Daarnaast omvatte de dienstverlening een vergaderservice en de verzorging van catering bij bijzondere gelegenheden binnen het gebouw.

b. Op de locatie [naam] waren op 1 januari 2015 zeventien vaste cateringmedewerkers in dienst, waaronder [gedaagde 2] en [gedaagde 3].

c. [gedaagde 3] is sinds 10 oktober 2005 werkzaam op de locatie [naam] en is sinds

12 september 2014 arbeidsongeschikt.

d. [gedaagde 2] is sinds 25 maart 2012 werkzaam op de locatie [naam] en is sinds 4 oktober 2013 arbeidsongeschikt.

e. Met ingang van 1 januari 2015 is de overeenkomst tussen Compass Group en [naam] Vastgoed N.V. ten behoeve van de cateringactiviteiten in het gebouw [naam] geëindigd en is het contract per die datum gegund aan PDX.

f. PDX heeft per e-mail van 25 november 2014 de personeelsgegevens opgevraagd bij Compass Group betreffende het personeel dat werkzaam was op de locatie [naam]. Op 28 november 2014 is deze informatie door Compass Group aan PDX verstrekt.

g. Bij e-mailbericht van 4 december 2014 heeft PDX aan Compass Group onder meer geschreven:

“[…] Uit diverse informatie is gebleken dat Mw. [gedaagde 2] en Mw. [gedaagde 3] langdurig ziek zijn. Deze werknemers kunnen als gevolg van deze ziekte niet meer ten behoeve van het betreffende contract werkzaam zijn binnen het huidige contract. Conform de aanpassingen in de AVV CAO ingaande op 1-1-2015 zijn beide dames dus geen betrokken medewerkers. […] , maar vooralsnog gaan wij er vanuit dat bovengenoemde medewerkers bij Compass-group in dienst zullen blijven. […]”

h. Bij e-mailbericht van 11 december 2014 heeft Compass Group aan PDX onder meer geschreven:

“ […] Voor beide werknemers geldt, zoals aangegeven, dat jouw conclusie zeer voorbarig is. Op dit moment ligt nergens duidelijk vast dat werknemers niet meer terug zullen keren op het contract [naam]. Totdat het tegendeel blijkt ga ik er daarom vanuit dat PDX deze werknemers zal benaderen als betrokken werknemers. […]”

i. Bij e-mailbericht van 18 december 2014 heeft PDX aan Compass Group onder meer geschreven:

“ […] Cliënte heeft zich met een beroep op artikel 10 lid 2 van de toepasselijke cao (voorshands) op het standpunt gesteld dat de medewerkers [gedaagde 3] en [gedaagde 2] niet als betrokken werknemers zijn aan te merken. Cliënte heeft zich daarbij gebaseerd op informatie die zij van Compass heeft ontvangen.

Van mevrouw [gedaagde 3] is cliënte bekend dat zij aan het project [naam] was toegewezen en dat zij als gevolg van artrose niet meer ten behoeve van het betreffende project werkzaam kan/zal zijn. […] De informatie betreffende mevrouw [gedaagde 2] heeft cliënte eveneens tot de conclusie gebracht dat zij niet meer kan/zal terugkeren op het project. […]”

j. PDX heeft de arbeidsovereenkomsten van de overige 15 (van de 17) werknemers per

1 januari 2015 voortgezet.

k. Op de arbeidsovereenkomsten van het bij Compass Group werkzame personeel is de cao voor de contractcateringbranche van toepassing. Genoemde cao is algemeen verbindend verklaard tot en met 30 juni 2015.

l. Artikel 10 lid 1 van genoemde cao luidt:

“Ten behoeve van dit artikel wordt contractwisseling gedefinieerd als de situatie waarbij een opdrachtgever, ten gevolge van een heraanbesteding respectievelijk hergunning, een cateringovereenkomst aangaat met een andere contractcateraar (tevens werkgever in de zin van deze cao) dan de contractcateraar die het contract voorheen voor deze opdrachtgever uitvoerde. De contractcateraar/werkgever die het nieuwe contract verwerft wordt hierna aangeduid met “de nieuwe werkgever”; de contractcateraar/werkgever die het contract verliest wordt met “de oude werkgever” aangeduid.”

m. Artikel 10 lid 2 van genoemde cao luidt:

“Ten behoeve van dit artikel word t “betrokken werknemer” gedefinieerd als de werknemer die als gevolg van een contractwisseling in de zin van het vorige lid zijn arbeidsplaats bij de oude werkgever verliest en die ten tijde van het verlies van de opdracht aan het betreffende contract was toegewezen. Onder betrokken werknemer wordt mede verstaan de werknemer die wegens ziekte niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten ten aanzien van bedoeld contract, tenzij duidelijk is dat deze werknemer als gevolg van deze ziekte niet meer ten behoeve van het betreffende contract werkzaam zal zijn.”

n. Artikel 10 lid 3 van genoemde cao luidt, voor zover relevant:

“De nieuwe werkgever is verplicht van alle betrokken werknemers de arbeidsovereenkomst voort te zetten en deze te behandelen als een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW. Dit houdt in dat de arbeidsvoorwaarden ongewijzigd door de nieuwe werkgever zullen worden geëerbiedigd. Onder arbeidsvoorwaarden wordt, onder andere, verstaan: […]”

3 Het geschil

3.1.

Compass Group vordert samengevat - veroordeling van PDX om vanaf 1 januari 2015 het salaris c.q. ziekengeld en overige emolumenten aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te voldoen conform hun arbeidsovereenkomst en de cao en om hen toe te laten tot de locatie [naam] en jegens hen haar re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW na te komen, met veroordeling van PDX in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft Compass Group ten grondslag gelegd dat artikel 10 van de van toepassing zijnde cao er vanuit gaat dat iedere contractwisseling binnen de contractcatering moet worden beschouwd als een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW en dat de betrokken werknemers conform die regels moeten worden behandeld.

In artikel 10 lid 2 van de cao staat als hoofdregel opgenomen dat de nieuwe werkgever gehouden is ook de werknemers die arbeidsongeschikt zijn op het moment van overname in dienst te nemen en hun arbeidsovereenkomsten voort te zetten. Volgens Compass Group hebben de cao-partijen nadrukkelijk bedoeld onder de uitzondering van artikel 10 lid 2 van de cao te verstaan de werknemers waarvan vast staat dat deze duurzaam niet meer inzetbaar zijn op de locatie. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie, te weten dat al vast zou staan dat de terugkeer van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op de locatie is uitgesloten, is volgens Compass Group geen sprake.

3.3.

PDX heeft verweer gevoerd en heeft gesteld dat geen sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW, nu het enkele overnemen van werknemers bij een contactwissel in beginsel nog niet kwalificeert tot een overgang van onderneming.

Volgens PDX heeft Compass Group zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de onderhavige contractwissel op grond van de cao een overgang van onderneming is, nu in de tekst van de cao niet is bepaald dat werknemers als gevolg van een contractwisseling van rechtswege overgaan op de nieuwe cateraar.

Zowel ten aanzien van [gedaagde 2] als ten aanzien van [gedaagde 3] is duidelijk dat zij als gevolg van ziekte niet meer in de bedongen arbeid ten behoeve van het contract [naam] werkzaam zullen zijn en mitsdien niet als betrokken werknemers in de zin van artikel 10 lid 2 van de cao zijn aan te merken.

Ook indien de contractwisseling wel zou moeten worden aangemerkt als een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW , heeft te gelden dat de verhindering van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om de opgedragen werkzaamheden te verrichten niet van tijdelijke aard is en dat sprake is van doorbreking van de duurzame band met de locatie [naam] wegens arbeidsongeschiktheid.

Volgens PDX zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] derhalve niet overgegaan naar PDX.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Van een spoedeisend belang van Compass Group bij haar vorderingen is, naar het oordeel van de kantonrechter, genoegzaam gebleken.

4.2.

In deze kort geding procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vorderingen van Compass Group in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.

4.3.

In de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld welke gevolgen het beëindigen van de cateringovereenkomst tussen Compass Group en [naam] Vastgoed N.V. en het vervolgens gunnen van genoemde overeenkomst aan PDX heeft voor [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. In dat verband moet allereerst worden bezien of sprake is van een overgang van onderneming zoals bedoeld in artikel 7:662 e.v. BW. In dat geval gaan de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] immers van rechtswege over op de verkrijger, zijnde PDX.

4.4.

Voor de vraag of er sprake is van een overgang van onderneming is – onder meer – bepalend of de identiteit van de betrokken eenheid bewaard blijft. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG volgt dat bij de beoordeling daarvan rekening moet worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, het al dan niet overdragen van de materiele activa zoals gebouwen en roerende goederen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, het al dan niet overnemen van vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer, het al dan niet overdragen van de klantenkring, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen, en de duur van de eventuele onderbreking van die activiteiten. Al deze omstandigheden zijn deelaspecten die in samenhang moeten worden bezien. Het belang dat bij de beoordeling moet worden gehecht aan elk van deze omstandigheden hangt voorts af van de aard van de betreffende activiteit, de productiewijze en de bedrijfsvoering. In het Sodexho-arrest is reeds overwogen dat in dit verband relevant is dat catering niet kan worden beschouwd als een activiteit waarvoor arbeidskrachten de voornaamste factor zijn, aangezien daarvoor heel wat uitrusting noodzakelijk is, zodat geen sprake is van een zogeheten arbeidsintensieve sector. In het algemeen zal bij catering aan de overige omstandigheden dan ook meer belang moeten worden gehecht.

De kantonrechter overweegt dat de discussie tussen partijen in dit kort geding in de processtukken en bij de behandeling ter zitting zich met name heeft toegespitst op de uitleg van artikel 10 lid 2 van de van toepassing zijnde cao en dat aldus door partijen onvoldoende is gesteld ten aanzien van de hiervoor genoemde feitelijke omstandigheden. Aldus is naar het oordeel van de kantonrechter op basis van de door partijen ingenomen standpunten in het kader van dit kort geding niet vast te stellen of sprake is van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW .

4.5.

Nu voorshands niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een overgang van onderneming, dient te worden bezien wat op grond van de CAO de gevolgen zijn voor [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. Daarbij wordt vooropgesteld dat geldt dat de CAO naar objectieve maatstaven dient te worden uitgelegd, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

Vast staat dat in het onderhavige geval sprake is van een contractwissel in de zin van artikel 10 lid 1 van de CAO .

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kunnen worden aangemerkt als betrokken werknemers in de zin van artikel 10 lid 2 van de CAO. Van zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 3] staat vast dat zij thans wegens ziekte niet in staat zijn de bedongen arbeid te verrichten ten aanzien van het contract (eerste deel van de tweede volzin van lid 2).

Door PDX is gesteld dat bij de beoordeling of sprake is van de in (het tweede deel van de tweede volzin van) lid 2 bedoelde uitzondering, het eigen werk (de bedongen arbeid) als uitgangspunt dient te gelden. Deze stelling berust naar het oordeel van de kantonrechter op een verkeerde lezing van de in lid 2 opgenomen uitzondering, nu het tweede deel van de tweede volzin verwijst naar het betreffende contract zoals omschreven in de eerste volzin van lid 2, waaronder derhalve ook het verrichten van passende arbeid valt.

Naar het oordeel van de kantonrechter dient bij de uitleg van de uitzondering zoals omschreven in het tweede deel van de tweede volzin van lid 2 aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie betreffende de overgang van onderneming. De door PDX betwiste stelling van Compass Group dat in artikel 10 lid 3 van de CAO is bepaald dat iedere contractwisseling in de cateringbranche dient te worden aangemerkt als een overgang van onderneming, kan derhalve onbesproken blijven.

4.6.

Allereerst is van belang het arrest Botzen. In genoemd arrest stond vast dat de betreffende werknemers niet werkzaam waren bij het overgedragen onderdeel van de onderneming, maar dat zij slechts bepaalde werkzaamheden verrichtten met behulp van bedrijfsmiddelen van het overgedragen onderdeel of die als personeel van een zelf niet overgedragen stafafdeling bepaalde werkzaamheden verrichtten ten behoeve van het overgedragen onderdeel. Volgens het HvJEG is voor de overgang van rechten en verplichtingen van werknemers enkel beslissend of de afdeling waarbij de werknemers waren aangesteld en die het organisatorisch kader vormde waarbinnen de arbeidsverhouding werd geconcretiseerd, al dan niet wordt overgedragen. Het HvJEG oordeelde dat de betreffende werknemers geen bescherming konden ontlenen aan de richtlijn overgang van onderneming en overwoog in dat kader dat een arbeidsverhouding in de hoofdzaak wordt gekenmerkt door de band tussen de werknemer en het onderdeel van de onderneming of vestiging, waarbij hij voor de uitoefening van zijn taak is aangesteld.

In het onderhavige geval staat vast dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor de uitoefening van hun taak waren aangesteld bij de locatie [naam], zijnde het overgedragen onderdeel van de onderneming.

In het arrest Memedovic/Asito - waarin sprake was van een in zijn functie geschorste werknemer - oordeelde de Hoge Raad, onder verwijzing naar het voornoemde Botzen-arrest, dat de toerekening van een werknemer aan het over te dragen onderdeel van de onderneming niet langer gerechtvaardigd is, indien die band is verbroken doordat de werknemer is geschorst zonder dat enig uitzicht op terugkeer in dienst oude functie bestaat. Volgens de Hoge Raad heeft de betreffende werknemer in dat geval niet langer te gelden als bij het desbetreffende bedrijfsonderdeel werkzaam - niet omdat hij is verhinderd zijn werkzaamheden bij dat bedrijfsonderdeel feitelijk te verrichten - maar omdat die verhindering niet van in beginsel tijdelijke aard is.

Door een aantal kantonrechters is geoordeeld dat de door de Hoge Raad in het arrest Memedovic/Asito uitgezette lijn betreffende de geschorste werknemer kan, dan wel zou kunnen, worden doorgetrokken naar de arbeidsongeschikte werknemer, indien vast staat dat deze nooit meer zal kunnen terugkeren op het overgaande ondernemingsonderdeel.

Door het gerechtshof Den Bosch is in de zaak Benetra/Wiba - waarin sprake was van een arbeidsongeschikte werknemer - overwogen dat zich in die zaak niet de situatie voordeed als bedoeld in het Memedovic-arrest, omdat niet kon worden aangenomen dat de werknemer op het moment van de overgang van de onderneming niet langer bij de vestiging werkzaam was of daar (definitief) niet terug kon keren. Het hof overwoog voorts dat de stelling dat de werknemer niet in passend werk zou kunnen terugkeren gemotiveerd was weersproken. De enkele omstandigheid dat mogelijk in het kader van de re-integratie het zogenaamde tweede spoor is/wordt ingezet, was volgens het hof onvoldoende om hierover anders te oordelen, waarbij volgens het gerechtshof geldt dat een dergelijke re-integratie niet tot gevolg heeft dat de arbeidsovereenkomst met de werkgever wordt verbroken.

Tot vergelijkbare oordelen kwam het gerechtshof in Leeuwarden in een tweetal zaken.

Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter zou het niet mee overgaan van een arbeidsongeschikte werknemer op de voet van de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest Memedovic/Asito de door de EG-Richtlijn 2001/23 beoogde bescherming ook te zeer inperken, ook wanneer op het tijdstip van de overgang aannemelijk zou zijn dat de arbeidsongeschikte werknemer niet meer op een wijze als voorheen werkzaam zal kunnen zijn bij het overgaande ondernemingsonderdeel. De overwegingen van de Hoge Raad in genoemd arrest dienen in dat opzicht naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter restrictief te worden uitgelegd.

Voorgaande betekent dat thans de vraag moet worden beantwoord of van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] voorshands reeds vast staat dat zij nooit meer terug zullen keren op de locatie [naam].

4.7.

Ten aanzien van [gedaagde 3] is door Compass Group een tweetal verslagen van de Arbodienst in het geding gebracht. In het verslag van de Arboarts van 23 oktober 2014 wordt aangegeven dat de prognose voor herstel tot het niveau van voor de huidige ziekmelding gunstig is en op niet al te lange termijn wordt verwacht. In het verslag van

4 december 2014 wordt dit herhaald en wordt door de Arboarts aangegeven dat een verbetering van de belastbaarheid wordt verwacht. Onweersproken is door Compass Group gesteld dat [gedaagde 3] zich op 5 januari 2015 op de locatie [naam] heeft gemeld om daar aangepast werk te gaan verrichten, maar zij niet werd toegelaten tot de locatie.

Door PDX is een brief d.d. 4 februari 2015 van haar bedrijfsarts in het geding gebracht. Door de bedrijfsarts wordt daarin weliswaar aangegeven dat het de vraag is of [gedaagde 3] in de toekomst nog duurzaam geschikt zal zijn voor het werk als cateringmedewerkster. De bedrijfsarts heeft echter tevens aangegeven dat [gedaagde 3] wel geschikt is voor andere, fysiek lichtere, werkzaamheden.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat op basis van genoemde stukken voorshands dan ook geenszins vast dat sprake is van de situatie dat [gedaagde 3] nooit meer (in passend werk) terug zal kunnen keren op de locatie [naam].

4.8.

Ten aanzien van [gedaagde 2] overweegt de kantonrechter dat door Compass Group eveneens een tweetal verslagen van de Arbodienst in het geding zijn gebracht. In het verslag van 20 november 2014 wordt aangegeven dat de prognose voor verder herstel van de belastbaarheid gunstig is en dat het advies is om ten behoeve van het herstel een multidisciplinair traject in te zetten. In het verslag van 29 december 2014 wordt aangegeven dat het niet aannemelijk wordt geacht dat [gedaagde 2] structureel en duurzaam zal terugkomen in haar eigen cateringwerk, maar dat de voorgenomen multidisciplinaire training haar wel kan ondersteunen bij een terugkeer naar lichamelijk lichter afwisselend werk waarbij zij regelmatig van houding en handeling kan wisselen.

Weliswaar blijkt uit de door PDX in het geding gebrachte stukken dat op enig moment met [gedaagde 2] is gesproken over het tweede spoor traject. Door Compass Group en [gedaagde 2] is onweersproken gesteld een dergelijk traject nooit daadwerkelijk is ingezet. Bovendien heeft naar het oordeel van de kantonrechter - onder verwijzing naar hetgeen hierboven in rechtsoverweging 4.6 is overwogen - te gelden dat de enkele omstandigheid dat mogelijk in het kader van re-integratie het tweede spoor traject wordt ingezet, nog niet kan worden aangenomen dat de werknemer op het moment van de overgang van de onderneming niet langer bij de vestiging werkzaam was of daar (definitief) niet terug kon keren. Een dergelijke re-integratie heeft immers niet tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst met de werkgever wordt verbroken.

Ook ten aanzien van [gedaagde 2] staat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook voorshands geenszins vast dat sprake is van de situatie dat [gedaagde 2] nooit meer (in passend werk) terug zal kunnen keren op de locatie [naam].

4.9.

Concluderend is de kantonrechter dan ook van oordeel dat van zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 3] voorshands niet duidelijk is dat zij als gevolg van hun ziekte niet meer ten behoeve van het betreffende contract werkzaam zullen zijn. Dat brengt met zich mee dat zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dienen te worden aangemerkt als betrokken werknemer in de zin van artikel 10 lid 2 van de CAO en dat hun arbeidsovereenkomsten aldus zijn overgegaan naar PDX.

PDX is op grond daarvan gehouden om hen het salaris c.q. ziekengeld en overige emolumenten te voldoen en PDX is tevens gehouden om hen toe te laten tot de locatie [naam] en jegens hen haar re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW na te komen. De vorderingen van Compass Group zullen dan ook worden toegewezen.

4.10.

PDX zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De nakosten, waarvan Compass Group betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt PDX om vanaf 1 januari 2015 het salaris c.q. ziekengeld en overige emolumenten aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te voldoen conform hun arbeidsovereenkomst en cao;

5.2.

veroordeelt PDX om [gedaagde 2] en [gedaagde 3] toe te laten tot de locatie [naam] en jegens hen haar re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW na te komen;

5.3.

veroordeelt PDX in de proceskosten, aan de zijde van Compass Group tot op heden begroot op:

€ 77,84 voor explootkosten

€ 116,00 aan griffierecht

€ 600,00 aan salaris gemachtigde;

te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt PDX, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2015.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature